De dilemma's van het prijsplafond

oktober 24, 2022

door Andre Sliedregt

Kortgeleden is het prijsplafond voor kleinverbruikers geïntroduceerd om de hoge energiekosten wat te dempen. Voor klanten die geheel 2023 een kleiner verbruik hebben dan het grensvolume (van respectievelijk 1200m3 en 2900kWh) én het gehele jaar een tarief hebben van boven de plafondbedragen, is simpel te berekenen hoe hoog hun energierekening zal zijn.
Is dit niet het geval, dan is er nog veel onduidelijk hoe de energiekosten exact berekend moeten worden! Bij een hoger verbruik zal namelijk bepaald moeten worden tegen welk tarief het meerverbruik moet worden afgerekend.
Aan de hand van een aantal voorbeelden zal worden toegelicht waarom dit nog niet zo eenvoudig is.

Voor Gas is als uitgangpunt een grensverbruik van 1.200 m3 gekozen, waarop het prijsplafond van toepassing is. Volgens veel media genoemd als het gemiddelde verbruik van de Nederlandse consument. De Kamerbrief vermeldt zelfs dat dit het mediane verbruik is, wat betekent dat dit de middelste meting is, en de helft van de Nederlandse consumentenaansluitingen dus boven dit verbruik zit. Het is dus cruciaal om voor meerverbruikers een faire beprijzing te bepalen voor het niet gesubsidieerde deel van hun verbruik!

Hieronder lees je meer over de dilemma’s van het prijsplafond.

De ‘kwart per kwartaal-berekening’

Hoe deze grotere verbruikers dan af te rekenen? Stel dat zij een tarief hebben per kalenderkwartaal.
Mogen zij elk kwartaal 1/4 van de 1200 m3 verbruiken tegen de plafondprijs en betalen zij daarboven het hoge werkelijke tarief? Voor elektriciteit is een lineaire inschatting van het verbruik nog wel te verdedigen, maar voor gas is dit onpraktisch en onredelijk want iemand die dan 1000 m3 in de twee winterkwartalen verbruikt, krijgt dan maar 500 tegen een lage prijs, terwijl iemand met een verbruik van 250 m3 per kwartaal,  de volledige 1.000 m3 verkrijgt tegen de lage plafondprijs. Die eerste vorm van afrekening strookt niet met de overheidstoezegging dat de rekening voor de eerste 1200 m3 niet hoger zal zijn dan de plafondprijs.
Maar zelfs als geen lineaire begrenzing geldt maar wordt uitgegaan van een gemiddeld verbruiksprofiel voor gas (waarbij een consument in de wintermaanden meer verbruikt dan in de zomer), dan zal de afwijking weliswaar minder groot zijn, maar kan het nog steeds voorkomen dat klanten met een verbruik van minder dan 1200m3 over een vol jaar gemeten, gemiddeld tóch boven de plafondprijs uitkomen. Dat kan niet de bedoeling zijn.

De ’tot aan de grenswaarde-berekening’

Een andere benadering is dat de eerste 1.200m3 van 2023 tegen het plafondtarief wordt afgerekend. Een klant met een verbruik van 1400m3 zal dan de laatste 200m3 moeten afrekenen tegen het tarief van het laatste kwartaal. Mocht de prijs in de eerste drie kwartalen dan onder de plafondprijs hebben gelegen, dan worden deze niet gesubsidieerd, terwijl het laatste kwartaal volledig zelf moet worden betaald. De klant kan dan terecht betogen dat het onredelijk is als de overheid het voordeel heeft van een laag tarief in het begin van het jaar en de klant alleen het nadeel van een hoog tarief aan het einde van het jaar.

De ‘gemiddelde tarief-berekening’

Een derde manier is het afrekenen van de bovenmatige m3 op basis van het gemiddelde tarief in het jaar, bijvoorbeeld gebaseerd op de vier kwartaaltarieven. Bij een gemiddelde prijs boven het prijsplafond wordt vervolgens voor de eerste 1200 m3 de spread tussen het gemiddelde tarief en het prijsplafond vergoed.

Ook dit is onredelijk want als een klant in een prijzig kwartaal veel verbruikt heeft, dan is het logisch dat de overheid daar meer aan bijdraagt.

De ‘gewogen gemiddelde tarief-berekening’

Meest eerlijk lijkt het daarom als een klant de eerste 1200m3 afrekent tegen de plafondprijs, en het restant tegen de gemiddelde m3-prijs die hij zou hebben betaald als de klant zelf het volledige bedrag had moeten betalen. Een gewogen gemiddelde prijs dus, gerelateerd aan het verbruik in elke tariefsperiode.

Geldt de overheidsvergoeding over maximumtarieven of over gemiddelde tarieven?

Bij het hanteren van de ‘gewogen gemiddelde-berekening’ doemt echter een nieuw dilemma op: garandeert de overheid nu voor elektra dat elk elektratarief boven de EUR 0,40 wordt ‘gecapt’ op 40 cent, of belooft de overheid dat het gemiddelde elektra tarief voor verbruik onder de grens van 2900 kWh niet hoger zal zijn dan 40 cent? Dat probleem doet zich voor als zich gedurende het jaar verschillende tarieven gelden die deels onder en deels boven het prijsplafond liggen. Subsidieert de overheid het hoogste tarief bij twee halfjaarlijkse tarieven van  0,35 en 0,45 (en een gelijk verbruik in elk halfjaar)? Of wordt er van uitgegaan dat het jaarverbruik dan uitkomt op gemiddeld 40 cent en dat er dus niet gesubsidieerd hoeft te worden? Op zich is het te billijken dat de overheid uitgaat van de gemiddelde kosten per jaar en dat die onder de 40 cent behoren te blijven, maar ook dan ontstaat een dilemma.

De ‘gerankte tarieven-berekening’

Dit keer speelt het berekeningsdilemma voor de gebruikers van dynamische tarieven. Een groeiende groep verbruikers maakt gebruik van dynamische prijzen en kent elke dag een nieuwe prijs voor gas en elk uur een nieuwe prijs van elektra. Hierbij bestaat een sterke incentive om het verbruik te proberen te realiseren op de goedkope momenten gedurende de dag. Dit leidt tot verbruik op momenten dat veel duurzame energie beschikbaar is, en de uurprijzen laag zijn. Wanneer de eerste kwartalen van 2023 de prijzen hoog zijn, dan kan het zo zijn dat gebruikers in het latere deel van het jaar niet meer onder de gemiddelde prijs van 40 cent uit kunnen komen en het voor hen dus niet meer uitmaakt op welke tijden en tegen welke tarieven zij hun energie verbruiken. Dat drijft de subsidiekosten van de overheid nodeloos op als zij onverschillig gaan verbruiken.  De incentive van dynamische prijzen is nou juist het uitkienen van slimme tijden om op verbruik te concentreren.

Daarom zou de rekening gebaseerd moeten zijn op de duurste 2900kWh tegen het plafondtarief, voor zover dit verbruik een tarief kent dat boven het plafondtarief ligt. Het verbruik dat daarboven ligt, moet dan afgerekend worden tegen het gemiddelde tarief dat gold voor de klant in de periode dat een lager tarief van toepassing was, dan voor de eerste 2900kWh. Om het omslagpunt tussen de ‘hogere’ tarieven en ‘lagere’ tarieven goed te kunnen bepalen, is het daarvoor nodig om alle tarieven gedurende het jaar te ranken van hoog naar laag en daarbij het cumulatieve verbruik te bepalen tot aan de grenswaarde van 2900 kWh.  Een vrij omslachtige en lastige methode, maar wél bruikbaar voor zowel dynamische tarieven als voor bijvoorbeeld kwartaaltarieven of maandtarieven en daarmee universeel, transparant en fair, wat bij subsidiëring veelal het uitgangspunt is, en niet leidt tot rechtsongelijkheid. Voor niet-slimme meters kan bij kwartaaltarieven het verbruik in verschillende tariefsperioden worden geschat aan de hand van het Profielverbruik.
Ook de zonne-invoeding/teruglevering kan hierin worden verwerkt, want dat is een nog verder complicerende factor om de benodigde subsidie te bepalen. Verbruik en teruglevering vindt immers niet op dezelfde momenten plaats en niet in dezelfde verhoudingen per verbruiksperiode. Ook hierover is nog onvoldoende duidelijkheid hoe de overheid met teruglevering om wil gaan.

Bepaling maandelijkse termijnbedrag 2023 binnenkort al relevant

Belangrijk in de uitvoering is het noodzakelijke herrekenen van het termijnbedrag per 1 januari 2023 op basis van het standaard jaarverbruik (SJI/SJA en SJV) om zo tot een voorschot te komen dat de beste schatting vormt van het daadwerkelijke maandbedrag, waarbij rekening gehouden wordt met de verwachte subsidie. Een inschatting die voor elektra op basis van een lineaire schatting gemaakt kan worden, en voor gas op basis van een verbruiksprofiel.  Die inschatting is nog redelijk eenvoudig te maken.

Eindejaarscorrectie eind 2023 noodzakelijk

Daarnaast is het nodig om op 31 december 2023 een tussentijdse factuurcorrectie te bepalen omdat dan pas het werkelijke verbruik boven de grenswaarden bekend is en de daadwerkelijke tarieven die gedurende het jaar 2023 golden. Die correctie verlangt duidelijkheid over de bovengenoemde complexiteit van verrekening. Wanneer een klant gedurende het jaar overstapt naar een andere leverancier moeten ook nog onderlinge correcties uitgevoerd worden. En ook al blijft een klant in 2023 bij dezelfde leverancier, dan komt er ergens in 2023 een jaarafrekening, terwijl dan nog niet zeker is voor hoeveel overheidssubsidie de klant in aanmerking komt. De overheid legt dus nog al wat administratieve taken neer bij de energiebedrijven om de subsidiering uitvoerbaar te maken.

Gelukkig is er nog een jaar om de exacte wijze van factuurcorrectie te ontwikkelen.

Tot slot

Het makkelijkste zou zijn als iedereen in 2023 gewoon onder de grensvolumes zou blijven: dat vergemakkelijkt niet alleen de berekeningen maar bespaart de overheid een hoop subsidie en draagt sterk bij aan een substantieel lager energieverbruik in Nederland.  En dat laatste is het uiteindelijke doel waar we naar zouden moeten willen streven!

 André Sliedregt is Energy Business Consultant bij Het ConsultancyHuis. Bij Het ConsultancyHuis combineren we onze kennis van en ervaring in de energiesector met kennis van IT. Met slimme technieken en data-oplossingen dragen we bij aan de realisatie van de energietransitie. Heb je nog vragen over dit onderwerp? Neem contact met ons op! We helpen je graag verder.

Gerelateerde nieuwsberichten

Samenwerken?

Een verandertraject, een nieuw IT-systeem of een andere uitdaging? Ontdek hier hoe we jouw organisatie kunnen helpen.

Werken bij ons?​

Zoek je een nieuwe uitdaging? Ontdek de voordelen van Het ConsultancyHuis voor jou als consultant.